
Het was weer lente en het straatbeeld vulde zich met luchtig geklede vrouwen. Hij had oog voor schoonheid en kon er intens van genieten. Echter, het vervulde hem ook met weemoed; zo talrijk als ze door de straten flaneerden, ze bleven onbereikbaar voor hem. Een gezicht in de massa met een stralende lach, alleen voor hem. Hij begon zich wanhopig af te vragen of hij het nog wel zou beleven.
Vroeger hield hij het bij platonisch beminnen. Hij bouwde luchtkastelen waarin hij zich verschanste voor hun schoonheid die zijn eenzaamheid slechts deed aanwakkeren. Later nam hij weer afstand van zijn lethargie en was actief op zoek gegaan. De vrouwen die zich aanboden begeerde hij niet en die waarnaar hij verlangde bleven onbereikbaar. Overschatte hij misschien zijn marktwaarde? Was hij te kieskeurig? Er waren vele redenen te bedenken waarom het niet wilde vlotten met de liefde, maar ze toonden hem niet de weg die tot een oplossing zou leiden. Het eeuwige smachten, de verdwazing van het verlangen, was het niet de mens eigen? Hij moest blijven hopen.
Hij zat op een terras en keek naar de vrouwen die voorbij liepen. Ondertussen proefde hij de bitterzoete smaak van hun schoonheid en zwelgde in weemoed.
Iedere keer wanneer ik een mooie vrouw
zie flaneren door drukke winkelstraten
beginnen er stemmen in mij te praten
over gemiste kansen en het berouw.
Zij zijn 't onbereikbare waarnaar ik klauw
om vast te houden. Dus niet meer verlaten
op mijn platonisch beminnen. Want haten
doe ik de fantasiƫn waarmee ik bouw
aan de luchtkastelen waarin ik schuil
voor hun schoonheid die mij zo eenzaam maakt.
En het lijkt mij zeker een goede ruil
om voor alles wat ik ooit heb verzaakt
de gezochte muze terug te krijgen
om eindelijk eens mezelf te ontstijgen.